Een kort, maar vrij en vrolijk leven: Alexine Tinne

Ik zei het al eens, ik heb een zwak voor ontdekkingsreizigers. En ben bijzonder geïntrigeerd door de vrouwen onder hen. Vrije geesten, die geheel tegen de heersende negentiende eeuwse Victoriaanse normen en waarden het avontuur opzochten.

Alexandrine Tinne (1835-1869) is er daar één van. Een dame uit de Haagse upper class die van trouwen niks moest weten. Dit is opmerkelijk in een tijd dat de vrouw werd beschouwd als een hulpeloos wezen, dat alleen in het huwelijk, als moeder, haar bestemming kan vinden, en al bordurend en pianospelend haar tijd behoort door te brengen. In één van haar vele brieven schreef ze, dat ze op tijden dat het even tegenzat bedacht dat ze ook getrouwd had kunnen zijn. En dan viel het allemaal wel weer mee. “Goddank, ik ben tenminste vrij!”

Alexine (zo wordt ze het liefst genoemd) was de eerste westerse vrouw die doordrong tot de bovenloop van de Witte Nijl en zijn westelijke gebieden. Ook trok ze als eerste westerse vrouw door de Libische woestijn. Ontdekkingsreiziger Livingstone schrijft over Alexine: “Maar toch wordt niemand door mij hoger aangeslagen dan de Nederlandse dame, mejuffrouw Tinne, die na de zwaarste huiselijke rampspoeden, op grootse wijze volhardde, dwars tegen alle moeilijkheden in.” Alexine ziet zichzelf niet als ontdekkingsreiziger, en geeft aan dat haar moeder en zij niet reizen om beroemd te worden, maar “eenvoudig als toeristen, voor ons eigen genoegen.” Iets wat ze gemeen heeft met andere vrouwelijke ontdekkingsreizigers uit haar tijd, die vaak gedreven werden door een verlangen naar vrijheid en onafhankelijkheid, in tegenstelling tot de mannelijke veroverzucht.

Alexine’s eerste avonturen

Alexine is enig kind uit het tweede huwelijk van Philip Frederik Tinne. Philip was schathemeltje rijk. Hij had zijn fortuin gemaakt in Demerara, een Brits/Nederlandse kolonie in het huidige Guyana. Als mede-eigenaar van de handelsonderneming Sandbach, Tinne & Co bezat hij schepen en plantages en handelde hij in suiker, koffie, rum, melasse én ‘prime Gold Coast Negroes’, slaven dus. Zijn fortuin werd nog eens flink uitgebreid toen hij in 1835, na de afschaffing van de slavernij, een gigantisch bedrag ontving van de Engelse overheid, bedoeld om de plantage-eigenaren schadeloos te stellen voor het opgeven van de slaven op hun plantages.

Als Alexine acht is overlijdt haar vader. Hij laat haar en haar moeder Henriëtte, dochter van zeeheld Theodoor van Capellen, en hofdame van koningin Sophie, een zo groot fortuin na dat ze behoren tot de rijksten van Nederland. Als gezin reisden ze al regelmatig, en na de dood van Philip trekken de dames Tinne er samen op uit. Ze trekken met pony’s en wagens door Scandinavië, gaan naar Frankrijk en Duitsland en reizen vervolgens af naar het mysterieuze Oosten, waar ze Egypte, Palestina, Libanon en Syrië doorkuisen, en een half jaar verblijven in een klooster in de buurt van Beiroet. Hier leert Alexine Arabisch, en verdiept ze zich in de Islam. Na dit Oosterse avontuur van zo’n twee jaar, keren de dames in 1857 weer terug naar Den Haag.

Als een vlieg naar de vlam

Vier jaar blijven ze in Europa. Maar de Oriënt laat Alexine niet meer los en ze droomt over nieuwe avonturen. Ze heeft haar zinnen gezet op Khartoum (Soedan). Khartoum was een arme, smerige stad in een dorre woestijn, vol slavenhandelaren en goudsmokkelaars. Maar Khartoum was ook hét begin- en eindpunt van avontuurlijke expedities naar de nog onbekende binnenlanden van Centraal Afrika. Naar de witte vlekken op de toenmalige landkaarten. ‘”Ik ben niet bijzonder verlangend om Amerika of Australië te zien, maar Afrika, ik kan er zelf de reden niet van opgeven, heeft mij altijd aangetrokken. Misschien uit instinct, als een vlieg naar de vlam”, schrijft Alexine in 1860.

In 1861 begint ze aan de uitvoering van haar droom en vertrekken de dames Tinne naar Caïro, waar ze de tocht naar Khartoum voorbereiden. Drie dames Tinne in dit geval, ook de jongere zus van haar moeder, tante Adriana, is erbij, hetzij tegen wil en dank. In Caïro wordt de bagage van de dames ingescheept voor de reis over de Nijl. Alexine was niet bepaald een backpacker maar reisde op stand. Zo nam zij onder andere mee: 78 man personeel, zowel bedienden als soldaten, 104 kamelen, een vracht voor tien kamelen aan kopergeld, ijzeren ledikanten, matrassen, zilveren bestek, porselein servies, en ook haar honden, die elk door een eigen kameel gedragen werden.

In april 1962 bereiken de dames Khartoum, waar ze de Engelse ontdekkingsreiziger Samuel Baker tegen het lijf lopen. Ze vertellen hem over hun plan om verder te trekken richting de bron van de Nijl, waar in die tijd koortsig naar gezocht wordt. Samuel schrijft aan zijn broer: “Er zijn Nederlandse dames die reizen zonder heren…Ze moeten wel krankzinnig zijn. Een jonge vrouw alleen met de Dinka stam, ze moeten echt gek zijn. Alle inboorlingen zijn naakt als de dag dat ze geboren zijn.” Krankzinnig of niet, per stoomboot vertrekken de dames naar het Ugandese Gondokoro, waar ergens de bron van de Nijl zich zou moeten bevinden. Tijdens deze reis is Alexine getuige van slavenrazzia’s. Ze is diep geschokt.  “Ik had er wel over horen vertellen, (…) maar had geen idee van de omvang en wreedheid (…). Men kan zich dat niet voorstellen als men het niet gezien heeft – het is weerzinwekkend.”  Uit medelijden koopt Alexine enkele slaven vrij, iets wat ze nog vaker zou doen tijdens haar reizen.

Vanaf Gondokoro blijkt de Witte Nijl niet meer bevaarbaar en Alexine’s plan om te voet verder te trekken wordt gedwarsboomd door het feit dat ze ernstig ziek wordt. Als zij een maand later weer op haar benen kan staan keert de expeditie terug naar Karthoum, waar ze eind 1862 arriveren.

Het grote verlies

Alexine is nog steeds vastbesloten door te dringen in onbekend gebied. “Als je de kaarten voor je neemt dan zul je zien dat er in het zuidwesten, in de richting van de evenaar, een grote ruimte ligt zonder namen. Daar willen we heen.” In Khartoum ontmoet ze twee Duitse ontdekkingsreizigers, Theodor von Heuglin en Hermann Steudner, die net platzak terugkomen van hun laatste expeditie. De kisten vol kopergeld van de Tinne’s bieden nieuw perspectief en al snel is een nieuwe expeditie gereed voor vertrek. Ditmaal met onder andere tweehonderd man personeel en proviand voor tien maanden. Ook het loodzware ijzeren ledikant van Alexine wordt nog altijd meegesleept. Tante Addy blijft achter in Khartoum. Erg blij is ze niet met de situatie. In een brief schrijft ze: “Het is erg jammer dat Alexine niet een wat redelijker smaak heeft en dat ze haar geld wegsmijt op een dergelijke belachelijke en nutteloze wijze. Terwijl er zo veel mooie landen zijn, brengt ze ons naar deze vreselijke plek. ”

In het voorjaar van 1863 vertrekken Alexine en haar moeder met vijf boten richting Mesja er Req, een plaats aan de Gazellen Rivier, een zijrivier van de Witte Nijl. Van daaruit trekt men te voet het gebergte in, een gebied waar nog nooit een blanke is geweest. Maar de expeditie maakt niet genoeg vaart. Niet alleen door de enorme hoeveelheid spullen die de Tinne’s meeslepen, maar ook nemen de dames elke dag uitgebreid de tijd voor hun toilet en het ontbijt. Het zijn en blijven dames, en het moet natuurlijk wel leuk blijven, die avonturen. Henriëtte schrijft: “Alexandrine heeft een draagbed met een baldakijn om de zon tegen te houden en met een matras zodat ze heel comfortabel kan rusten en vaak een verfrissend slaapje doet. Ik heb een stoel. We worden elk gedragen door vier negers. We hebben er elk twaalf, zodat ze om beurten kunnen uitrusten. We hebben nu 120 negers voor onze persoonlijke bagage.”

Met het begin van het regenseizoen slaat de situatie om en verandert de gezellige trektocht in een ware hel. Het gebied wordt onbegaanbaar en de expeditie strandt in het moerassige territorium van Buselli, de machtigste slavenhandelaar van de regio, die steeds hogere prijzen eist voor het voedsel en onderdak dat hij de expeditieleden biedt. Terwijl stortregens, koortsen en buikloop de leden teisteren wordt er gezocht naar een moment en manier om betere pleisterplaats te bereiken. Maar als moeder Henriëtte op 22 juli vrij plotseling overlijdt, en een maand later hun trouwe kamenierster Flora, wil Alexine terug naar Khartoum. Het wordt een vreselijke tocht, waarbij ook nog haar tweede kamenierster Anna overlijdt.  Met drie lijkkisten ploetert de expeditie voort. “Wij hebben ons op de meest afschuwelijke wijze verder moeten slepen – die terugkeer was vreselijk”.  Enkele weken na terugkomst in Khartoum in maart 1864 overlijdt ook tante Addy. Voor Alexine is dit alles een vreselijke klap, was zij schuldig aan de dood van al deze vrouwen?

Op zoek naar de mysterieuze Toearegs

Diepbedroefd keert Alexine terug naar Caïro, waar ze de komende anderhalf jaar blijft. Haar halfbroer komt langs en probeert haar over te halen terug te gaan naar Europa. Alexine weigert pertinent. Na anderhalf jaar begint het avontuur toch weer te trekken. Ze huurt een stoomjacht en doorkruist met haar Egyptische bemanning maandenlang de Middellandse Zee. Later vaart ze, met een in Rotterdam gemonsterde bemanning, van Toulon naar Algiers, waar ze een huis huurt voor haar en haar bedienden. Hier ontstaat een nieuwe obsessie. Ze hoort over de mysterieuze Toearegs; krijgshaftige, vrijheidslievende nomaden die diep de onherbergzame woestijn ingetrokken zijn zich te onttrekken aan de Arabische, Turkse en Franse overheersers. Alexine is gefascineerd door dit volk, ze begint hun taal te leren en is vastbesloten contact te leggen.

In oktober 1867 trekt ze met haar gevolg het Atlasgebergte in. Een expeditie die al vrij snel mislukt door de barre winterse omstandigheden en voedseltekort. Ongeveer negen maanden later keert de expeditie onverrichter zake terug naar de kust. Maar als Alexine eenmaal iets in haar hoofd heeft moet en zal het gebeuren. Twee maanden later vertrekt ze dan ook vanuit Tripoli richting de woestijn van Bornu. Twee van haar Rotterdamse matrozen maken nog altijd deel uit van haar staf. Alexine wordt met klem gewaarschuwd niet verder te gaan dan Murzuk in het zuiden van Libie. Hierna verlaat zij het Ottomaanse rijk en zal ze vogelvrij zijn.

In maart 1869 arriveert de karavaan in Murzuk. Het lukt Alexine contact te leggen met de machtige Toeragvorst Ichnoechen, en ze is vier dagen lang te gast in zijn kamp. Als eerste blanke vrouw die ooit door de Toearegs als gast is ontvangen is dit een indrukwekkende gebeurtenis. Ze wordt plechtig ontvangen door de vorst, die omringd is door honderden gesluierde kameelruiters in kleurrijke gewaden. Alexine is diep onder de indruk van de mannen. “Als zij zo, in volle glorie, naar Europa zouden komen, ben ik er zeker van, dat het hart van menig meisje sneller zou slaan voor de knappe Toearegs, barbaren als zij zijn, en menig jongeling zou zich bij hen willen aansluiten.”

Een vrolijk en dapper einde?

Bij vertrek spreken Alexine en de vorst af elkaar in Ghat, op vijfhonderd kilometer afstand, opnieuw te ontmoeten. Alexine’s karavaan trekt verder de woestijn in. Onderweg wordt ze gewaarschuwd voor een op handen zijnde overval op de ‘blanke vorstin die reist met kisten vol goud’ maar Alexine wil, en gaat, verder. In de nacht van 1 op 2 augustus wordt haar kamp overvallen door een groep van Arabieren en Toearegs. Er ontstaat een gevecht waarbij ook Alexine met een zwaard om het leven wordt gebracht. Het kamp wordt volledig leeggeplunderd. Alexine is dan drieëndertig jaar.

Ruim een jaar eerder schreef Alexine vanuit Algiers een brief aan haar halfbroer. “Als mij op mijn reizen iets overkomen zou, als ik gedood zou worden, wat toch heel goed mogelijk is, dan zal men ongetwijfeld zeggen: ja, dat komt ervan, van al dat reizen. Arme Alexine, wat een dood etcetera etcetera….Ik heb nooit het geluk begrepen van heel oud te worden. Ik heb dat altijd triestig gevonden – zelfs onder de gelukkigste omstandigheden – en ik vind niets angstwekkends in de gedachte vrolijk en dapper mijn einde te vinden door een geweerschot of een messteek, in plaats van een saai leven verder te slepen, zoals ik zo velen heb zien doen. Als je dus vandaag of morgen hoort dat men mij naar de andere wereld gezonden heeft, denk er dan aan dat mijn laatste ogenblikken niet verbitterd zullen zijn geweest. Alles bijeen genomen ben ik tevreden over mijn leven – ik heb goed geleefd …ik heb plezier gehad. Ik heb geen haast om te sterven – maar als het gebeurt, goed. Een kort maar een vrolijk leven!’


 

Meer lezen? Zie Reis naar het Noodlot,  voor kinderen Zwerftocht door Afrika, en voor meer dappere dames Vrouwen op Ontdekkingsreis,

De tentoonstelling over Alexine is nog tot en met 24 maart 2013 te zien in het Haags Historisch Museum

Klik hier voor een kaart van Alexine’s reizen in het Nijlgebied, en hier voor de reizen door Algarije en Libie.

 

Advertenties

2 gedachten over “Een kort, maar vrij en vrolijk leven: Alexine Tinne

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s